EBIS, de oliemaatschappij en de wet

 

Deze week kwam mij een bizar verhaal ter ore: een tanker had op een vrijdag een inspectie in het kader van de EBIS.  De betreffende EBIS-inspecteur constateerde aan boord van de bewuste tanker, dat de sticker op het deurtje, waarachter zich de bediening van de brandblusinstallatie voor de machinekamer zich bevindt, niet voldeed aan de in artikel 9.3.2.40.2.5. lid c van het ADN voorgeschreven kleurstelling! Oei! In plaats van een witte achtergrond met rode letters, zoals het ADN stelt, had de sticker een rode achtergrond met witte letters!

Pfff. De ijverige speurneus was kennelijk de mening toegedaan dat door deze ‘ernstige’ afwijking de veiligheid en de kwaliteit van een transport van gevaarlijke goederen met de betreffende tanker in gevaar was en vermeldde zonder scrupules de afwijking in het EBIS-rapport.

Aansluitend las een totaal onwetend iemand van een  oliemaatschappij, die de tanker voor een komende reis had ingehuurd, de bevindingen van de inspecteur en kwam tot de conclusie dat het aan zelfmoord zou grenzen, wanneer hij/zij dit schip voor welk transport dan ook nog zou inzetten. Dat dit schip überhaupt nog mocht varen! Dat het schip over een Certificaat van Goedkeuring beschikte… Onvoorstelbaar!

Resoluut werd het schip door de oliemaatschappij op grond van slechts één mogelijke informatiebron geblokt, met als gevolg dat de tanker de daarop volgende dagen leeg voor de kant lag, daar er op zo’n korte termijn geen nieuw bordje of sticker met daarop de juiste kleurstelling kon worden geregeld en de bevrachter geen kans meer zag op vrijdagmiddag nog een nieuwe reis voor een andere klant te boeken. Schadepost: een slordige 30.000 euro!

Een schip ondeugdelijk verklaren wegens een in de ogen van ‘experts’ afwijkend stickertje ter grootte van 10 x 5 centimeter… Wie kan zoiets verzinnen? Een scenarioschrijver? Ondergetekende wist niet wat hij hoorde. Is dit heden ten dage de praktijk? Zijn wij als samenleving al zo ver het spoor bijster?

Heeft dit nog iets te maken met de doelstelling van EBIS, namelijk een systeem te beheren, dat objectieve gegevens over de veiligheid en de kwaliteit van tankschepen ter beschikking stelt? Mijns inziens absoluut niet. Dit heeft niets meer met veiligheid en kwaliteit te maken.

Gedurende de vele EBIS-inspecties aan boord van mijn eigen schip is mij in de afgelopen vijf jaar meermaals verteld dat een inspectie zonder enige opmerking in de eindrapportage als “niet waarschijnlijk dan wel als onaanvaardbaar” wordt gezien. Op eigen titel vermoed ik dan ook dat dit eerder een reden zou kunnen zijn waarom de opmerking aangaande de verkeerde kleurstelling in het rapport is opgenomen dan dat de veiligheid en de kwaliteit in het geding zouden zijn.

Naar aanleiding van de ‘scherpe’ constatering van de EBIS-inspecteur en de daaropvolgende  beslissing van de oliemaatschappij kan ik de vraag stellen of beiden niet op de stoel van de wetgever, de autoriteit, hebben plaatsgenomen? In het ADN staat in artikel 8.1.2.2., dat een schip een Certificaat van Goedkeuring ontvangt wanneer de autoriteit heeft vastgesteld dat het schip aan alle eisen van het ADN voldoet. Eveneens in het ADN, artikel 9.3.2.8.1., is vastgelegd dat een schip een Certificaat ontvangt, wanneer het schip in overeenstemming met de eisen van het ADN is.

De bewuste tanker beschikte over alle benodigde bescheiden. Voor de autoriteit die de certificaten afgaf, voldeed de bewuste tanker dus aan alle wettelijke eisen.

Zoals de gebeurtenis met de tanker laat zien, trekken zowel de EBIS als de oliemaatschappij de integriteit en de competentie van de autoriteit aangaande de afgifte van de certificaten in twijfel. Zorgelijk en onaanvaardbaar. Een neiging tot anarchisme?

Bovenstaande  werpt een nieuwe vraag op: hebben EBIS-inspecteurs en oliemaatschappijen tegenwoordig speciale wettelijke opsporingsbevoegdheden en inherent hieraan beslissingsbevoegdheden, die hen in de gelegenheid stellen de wet naast zich neer te leggen dan wel zich boven de wetgever te verheffen?

Stelt u zich eens volgende voor: u snort met uw door de RWD goedgekeurde autootje over ’s heren wegen richting Schiphol, om uw in aantocht zijnde geliefde af te halen. Onderweg krijgt u controle van de ANWB en deze constateert, dat uw kentekenplaat 1 centimeter kleiner is dan wettelijk voorgeschreven. Bij Schiphol aangekomen mag u vanwege deze ‘ernstige’ afwijking de parkeergarages niet inrijden. De luchthaven weigert u de toegang. Te gevaarlijk. Een onaanvaardbaar risico. U kunt uw geliefde helaas niet afhalen.

“Te belachelijk voor woorden”, zult u waarschijnlijk zeggen? De handelwijze van EBIS en de betreffende oliemaatschappij verschilt in geen enkel opzicht van gegeven voorbeeld. De auto is door de autoriteit in orde bevonden. Komt de kwaliteit en de veiligheid van de auto in gevaar door een minuscuul verschil in de afmetingen van de kentekenplaat, geconstateerd door de ANWB? Natuurlijk niet.

Het weerwoord van zowel de EBIS-inspecteur als de oliemaatschappij zal zijn dat men zich aan artikel 9.3.2.40.2.5 uit het ADN houdt, daar de huurder zichzelf ervan wil overtuigen dat het schip aan alle wettelijke eisen voldoet. Een excellente doelstelling, die echter niet  automatisch uitsluit nu en dan de eigen bovenkamer te gebruiken, mits aanwezig.

Zoals ik reeds eerder in andere artikelen heb aangetoond, rammelt het ADN regelmatig aan alle kanten. Deze tegenstrijdigheden en onvolkomenheden worden praktisch altijd zonder enige vorm van protest of pogingen tot enig nadenken van de mensen die met het ADN beroepsmatig hebben te maken, blindelings opgevolgd en toegepast.

Het bewuste artikel in het ADN toont naar mijn mening aan, dat het ADN in onderhavig geval tegen alle geldende ‘common regulations’ ingaat. Laten wij om deze reden het ADN maar weer eens nader bekijken, opdat u straks uw eigen conclusie inzake de ‘onfeilbaarheid’ van deze wet kunt trekken.

Ultimo vorige eeuw trachtte men over de gehele wereld tot een harmonisatie van symbolen, pictogrammen en teksten te komen, waarbij de veiligheid en de gezondheid van de mens de leidraad vormden. Deze inspanningen hebben uiteindelijk geleid tot de Health and Safety Regulations 1996, gebaseerd op de Europese richtlijn 92/58/EU, tot de ANSI-color code Z535, de ASME-code en de ISO 7010-norm (dit is slechts een deel van de wereldwijde, identieke standaard normen).

In al deze richtlijnen wordt voorgeschreven dat alles wat duidt op dan wel verwijst naar brandbestrijdingsmiddelen en noodstopschakelaars, moet zijn uitgevoerd in overwegend de rode kleur. In het geval van pictogrammen moet er sprake van een rode achtergrond met een wit symbool zijn. Bij tekstborden schrijven de richtlijnen een rode achtergrond met witte letters voor.

De reden om te kiezen voor een rode achtergrond bij teksten, is dat er geen verwarring met andere opschriften van algemenere aard kan ontstaan. Pictogrammen en teksten over brandbestrijding dienen op te vallen en zich van andere pictogrammen en teksten te onderscheiden door hun overwegend rode kleur!

Het aanwenden van een rode achtergrond is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, zoals te lezen is in hoofdstuk 107, The Effects of Background Color of Safety Symbols on Perception of the Symbols uit de studie Advances in Human Factors, Ergonomics and Safety in Manufacturing and Service Industries.

Nu naar het ADN. Artikel 9.3.2.40.2.5. schrijft een sticker voor met de opdruk ‘brandblusinstallatie’ in rode letters op een witte achtergrond. Dit is reeds in strijd met alle internationale afspraken, regel-  en wetgeving betreffende symbolen en tekstborden.

Het wordt echter nog gekker wanneer wij artikel 9.3.2.25.3 nader bestuderen. In dit artikel wordt een sticker voorgeschreven met als tekst “Tijdens het laden of lossen niet zonder toestemming van de schipper openen. Direct weer sluiten.”

Hoewel dit een aanwijzing dan wel een instructie van algemene aard is, vindt men deze sticker op alle schepen in dezelfde uitvoering als de sticker met ‘brandblusinrichting’, die levens dient te redden! Rode lettertjes op een wit achtergrondje! Het ADN maakt dus geen enkel verschil tussen een normale aanwijzing en een uitzonderlijke, misschien zelfs levensreddende aanwijzing. Voor beide stickers wordt dezelfde uitvoering, layout, gebruikt.

Een foutje in het ADN? Niemand aan gedacht nog? Als lezer kunt u zich nu afvragen of het ADN wel correct is? Gaat het ADN met artikel 9.3.2.40.2.5. niet tegen de wereldwijde harmonisatie van pictogrammen en teksten inzake brandbestrijdingsmiddelen in?  Heeft het ADN zich tot doel gesteld, de binnenvaart als enige bedrijfstak in de wereld te laten afwijken van de standaard? Een harmonisatie om juist de veiligheid en de kwaliteit te bevorderen en misverstanden te voorkomen? Een harmonisatie, die er naar streeft dat overal ter wereld pictogrammen en tekstborden verwijzend naar brandbestrijdingsmiddelen hetzelfde zijn uitgevoerd, opdat levens in geval van noodkunnen worden gespaard en erger kan worden voorkomen.

Veiligheid en kwaliteit, twee items nadrukkelijk genoemd in de doelstelling van EBIS, maar waarvan datzelfde EBIS net zo gemakkelijk weer afwijkt, zoals blijkt in de praktijk, door te pleiten voor een witte sticker met rode opdruk conform het ADN? Wie is die inspecteur die aan echte veiligheid voorbij gaat en niet verder komt dan het controleren van regeltjes, zonder zich af te vragen of de regel wel juist is?

Welke oliemaatschappij wenst zich nadrukkelijk van de wereldwijde standaard tot harmonisatie van pictogrammen en tekstborden inzake brandbestrijdingsmiddelen te distantiëren?  Wie van de EBIS-organisatie, van de oliemaatschappijen of van de opstellers van het ADN kan mij uitleggen waarom de pictogrammen gerelateerd aan brandbestrijdingsmiddelen overwegend rood zijn met witte opdruk, terwijl de aan dezelfde problematiek gerelateerde tekstborden een omgekeerd kleurenpatroon  conform het ADN hebben, wat tegen alle internationale overeenkomsten ingaat?

Wie durft nu nog te beweren dat het schip terecht werd afgewezen, terwijl dit schip een sticker conform de wettelijke, internationale standaarden had? Hebt u uw conclusie al kunnen trekken? Waarschijnlijk zal er nu ergens wel  een verlichte geest opstaan die voorstelt de witte sticker met daarop het woord ‘brandblusinstallatie’ in het rood geschreven van een rood randje te voorzien, om op deze wijze het probleem op te lossen. Helaas voor deze geest gaat deze vlieger niet op, want de sticker met de aanduiding ‘ADNR Veiligheidsmiddelen’ is reeds op deze wijze uitgevoerd en ook deze sticker heeft  niets met brandbestrijding te maken.

Ondergetekende maakt zich ernstige zorgen dat niet meer de veiligheid en de kwaliteit doelstellingen van een inspectie zijn, maar in zijn ogen vooral het scoren in de richting van de opdrachtgever. Ook het formuleren van steeds weer nieuwe vragen op de EBIS-checklist is naar mijn mening een verheven doel geworden, zonder zich daarbij af te vragen of de vraag in elke situatie wel relevant is.

Een absurd voorbeeldje? Oké. Een schip laadt bij terminal A en moet aansluitend lossen bij terminal B, gelegen aan de overkant van het havenbekken. De EBIS-inspecteur verschijnt en vraagt naar de reisvoorbereiding… De schipper kijkt de man ongelovig aan. Komt deze meneer van een andere planeet? Nee hoor, hij voert slechts regeltjes uit. Een reisvoorbereiding voor 200 meter verhalen? Die heeft hij niet, uiteraard. Hopsa…jawel hoor: een kruisje op de checklist! Aansluitend blokt de oliemaatschappij de tanker, want zo’n afstand overbruggen zonder reisvoorbereiding kan echt niet.

Wie is hier nu doorgeslagen? Wie is van het padje geraakt? Wie heeft dringend behoefte aan psychische hulp? Wanneer keren we terug op aarde? Zegt u het maar, intussen wacht ik op, naar ik vrees, nooit komende antwoorden of bizarre antwoorden op de door mij gestelde vragen.

 

A.L. Quist

GEEF JE MENING