De Binnenvaart breidt museumvloot uit met Franse motor

Stichting De Binnenvaart heeft een Franse motor aangeschaft. Het schip komt vrijdag 20 juli aan in Dordrecht om in het Wantij af te meren. De voorlopige ligplaats van ms Marot zal langszij het museumschip René Siegfried zijn.

De Franse motor gaat daar deel uitmaken van het Binnenvaartmuseum van Vereniging De Binnenvaart. Op termijn moet de Marot het centrale schip worden van Leefwerf De Biesbosch. Voor zo’n haven met historische schepen en recreatieve functie is een burgerinitiatief gestart. Het is gepland in de zuidelijke insteekhaven, bij de nieuwe wijk Stadswerven op het voormalige terrein van scheepswerf De Biesbosch.

 

Jan van Voorst

Na 65 jaar beroepsvaart gaat de Jan van Voorst, zoals het schip nu nog heet, met pensioen. Stichting De Binnenvaart geeft het historische schip zijn oorspronkelijke naam terug.

De Marot is inmiddels geïnspecteerd door de Inspectie Leefomgeving & Transport en voldoet aan de eisen voor het Certificaat van Onderzoek. Het kan daardoor een varend museumschip worden.

 

De geschiedenis van de

Franse motor: Marot

Jos Hubens, voorzitter van de Stichting Binnenvaart en ambassadeur van Vereniging De Binnenvaart, schreef een artikel over de Franse motor, waarom dit scheepstype historisch belangrijk is en over het verleden van de 65-jarige Marot, dat verbonden is met Dordrecht en scheepswerf De Biesbosch.

De Franse motor is een scheepstype dat na de Tweede Wereldoorlog van grote betekenis is geweest voor de wederopbouw van West-Europa door het vervoer per nationale en internationale binnenvaart.

Als we over de Franse motor spreken dan hebben we het eigenlijk over twee verschillende scheepstypes namelijk de kleine Franse motor met een tonnage van circa 720 ton en een lengte van 63.31 meter en de zogenaamde grote Franse motor van 73.50 meter lengte en een tonnage van ongeveer 900 ton. De breedte van beide scheepstypes is gelijk: circa 7,10 meter.

Ze zijn allemaal uitgerust met 480 pk Enterprise dieselmotor van Amerikaanse makelij uit San Francisco. Het gaat hier om twee series van in totaal 120 standaardschepen die in Amerika en Canada geprefabriceerd zijn. De tekeningen van de kleine Franse motor werden in 1939 gemaakt op de tekentafels van scheepswerf De Biesbosch in Dordrecht. Met de besprekingen voor de bouw van deze schepen is tijdens de oorlogsjaren in 1943 een aanvang gemaakt. Van het kleine type zijn er 25 gebouwd en van de grote 95.

 

Marshallhulp

Toen Amerika na de oorlog met het Marshall hulpplan kwam werd de levering van een gedeelte van deze schepen in het kader van het Marshallplan ingepast omdat Frankrijk een deel van de haar toegezegde hulp in de vorm van transportmiddelen verkoos. Alle 120 Amerikaans/Canadese motorschepen werden eigendom van de Franse staat en kwamen dan ook onder de Franse vlag te varen. Daarom werden ze Franse motor.

Het ontwerp van de grote Franse motor was afkomstig van de Zwitserse scheepsbouwmeester A.J. Ryniker uit Bazel. Deze schepen werden als bouwpakketten vanuit Canada en Amerika aangeleverd.

Voor de assemblage van deze 47 grote Franse motor-schepen werd op het terrein van scheepswerf De Biesbosch een aparte helling aangelegd, die al snel de benaming ‘Amerikaanse helling’ kreeg. Scheepswerf De Biesbosch heeft zelf ook nog dertien grote Franse motors gebouwd. Deze onderscheiden zich van hun zusterschepen doordat ze geheel geklonken zijn. In tegenstelling tot de 82 andere schepen, die voor het grootste gedeelte zijn gelast.

Zo werden in Dordrecht 35 van de 95 grote schepen gebouwd en afgebouwd. De resterende zestig schepen werden in Frankrijk gebouwd: op de SCAR-werf in Straatsburg 25 stuks, bij Duchese & Bossiére in Le Havre veertien schepen en bij de Marine Arsenal-werf in Cherbourg nog eens 21. De schepen die op de twee laatstgenoemde werven werden gebouwd, konden uiteraard niet binnendoor de Rijn bereiken en zijn daarom over zee, via Rotterdam, naar Dordrecht gesleept.

 

Museumschip

Van de 21 stuks afgebouwde grote Franse motor-schepen is de Marot een van de bouwpakketten die op de Marine-scheepswerf in Cherbourg zijn geassembleerd. De Marot was een van de laatste die in 1953 over zee naar Dordrecht zijn versleept, omdat de Rijn niet binnendoor bereikt kan worden. De Enterprise-motor die nog steeds naar volle tevredenheid in de Marot draait (op GTL-brandstof) heeft als bouwjaar 1947.

Waar de scheepsnaam Marot van afkomstig is, is niet helemaal duidelijk. Waarschijnlijk is het schip vernoemd naar een Franse verzetsstrijder uit de Tweede Wereldoorlog: Henri Marot (1916-1944) of naar de hofdichter Clément Marot uit de 16e eeuw.

De Marot kwam onder de vlag van de Franse staatsrederij CNFR uit Straatsburg op de Rijn te varen. In 1981 werd de Marot verkocht aan de familie Bruinsma uit Den Burg en omgedoopt tot Maria-B. Jaap de Haan en Petra van Voorst kochten het schip in 1990 en noemden het Jan van Voorst, naar de vader van Petra.

 

De Jan van Voorst op een van zijn laatste reizen, met de vlag van Vereniging De Binnenvaart al in top. (foto Ruud Mulder)

Stichting De Binnenvaart heeft de Jan van Voorst dit jaar gekocht. Het schip krijgt de functie van museumschip als centraal schip van Leefwerf De Biesbosch. Het krijgt de originele naam, Marot, weer terug. De naamplank hadden wij ooit al eens gekregen van Harry de Groot.

De Marot gaat de geschiedenis vertellen van de Marshallhulp en van scheepswerf De Biesbosch. De befaamde (binnenvaart)modelbouwer Harry Tullemans is een maquette (1:150) aan het bouwen van deze beroemde werf uit de jaren na de Tweede Wereldoorlog. Ook willen wij de evolutie van de Binnenvaart in de 20e eeuw laten zien, onder andere door modelbouw.

De René Siegfried, Lashbak CGS 6013, Veerdienst 3 en nu ook de Marot vormen samen het Binnenvaartmuseum van Vereniging De Binnenvaart in Dordrecht.

 

 




GEEF JE MENING

Wilt u liever reageren zonder registreren?
- Voer uw commentaar in
- Vul uw naam en e-mailadres in
- Vink "Ik reageer liever als gast" aan
- Druk op de pijl om de reactie te plaatsen.